Er loopt een man in blokjes door de wijk. Steeds dezelfde vier straten. Hij praat hardop, schreeuwt soms iets, af en toe richt hij zich rechtstreeks tot een voorbijganger. Het is geen kwaaie. Hij is wel in de war. Ik doe alsof ik hem niet zie. Kwestie van ervaring. Hij zoekt een aanknopingspunt en zodra hij het heeft maakt hij het stuk. Dus loop ik door de straat alsof ik in de metro zit. Wie niet kijkt wordt niet gezien. Ik word er zelf een soort blokje van. Recht, vierkant, alles wat vloeibaar is bevroren. Als blok van ijs wandel ik door mijn buurt. Niks kan nog in mij verdwijnen, en nergens kan ik nog in verdwijnen, met mijn hoekig aura van gepantserd glas.
Het komt door Marseille. Begin twintig was ik, en alleen op reis met rugzak. Op station Saint-Charles werd ik aangesproken door een man met een verhaal. Ik liep met hem mee naar een pinautomaat en gaf hem een bedrag waar ik twee weken van had kunnen leven. En toen wachtte ik de rest van de ochtend vergeefs op zijn beloofde terugkeer, een briefje met naam en telefoonnummer in hanenpoten erop geschreven als onderpand.
In de stad leer je staren. En om je te bewegen in een massa zonder geraakt te worden. Ieder neemt zijn huis mee naar buiten, met de deuren en de ramen dicht. Ik wil de roepende man groeten, ik wil vragen hoe het met hem gaat. Maar de man gooit woorden als pijlen en alleen de daklozen durven in zijn buurt te komen. Dus knip ik met mijn passen de straat in stukken tot ik een hoek om kan slaan. Alsof ik niet weg was kom ik ongedeerd weer thuis. Gedempt klinken er stemmen voor op de stoep. Gemis. Heb alles wat de moeite waard was daar gelaten.
27 januari 2025
Plaats een reactie