Er werd een beroep gedaan op het geweten en zo bevond ik me om negen uur ’s ochtends ineens met drie vreemden in de moestuin van de school. Het kruid en het onkruid hadden deze zomer dusdanig lopen woekeren dat het een niet meer van het ander te onderscheiden was. De brandnetels prikten door de tuinhandschoenen heen. De snoeischaar klemde. Hier en daar ontstond een gesprek. Over wat we deden, wat we vonden. Voor het gemak liet ik de belevenissen van het afgelopen jaar achterwege. Het was nu al niet meer wie ik was en je zag het niet aan me af ook. En wat daarbinnen gebeurt weet uiteindelijk toch niemand. Er groeit wat, er wordt wat afgebroken, er ontaardt iets.
Sommigen gebruikten een schepje. Ik deed het met de hand. Belangrijk was het er met wortel en al uit te trekken, dat wist ik ook wel. Tegelijkertijd wilden we snel resultaat. Af en toe knipte ik stiekem alleen de stengels af. Het was fijn werk. Het verwijderde groen gooiden we op de composthoop, die leek op de berg tuinafval in mijn eigen tuin. Een berg die wel hoger wordt, maar niet veel slinkt en waarvan de compost uiteindelijk nooit echt gebruikt wordt. Wel een veilig plekje voor een egel, zeggen ze.
Ik vraag me af hoe lang ik nog heb, en wat ik dan moet doen. Een schijnbaar oneindige hoeveelheid tijd heeft een onbekend eindpunt gekregen, en ik weet niet of ik moet sprinten of mijn adem sparen voor de lange afstand. Snoeien of maaien lijken me net zo zinloos als planten en groeien. Alles begint en eindigt steeds weer in dezelfde grond. Als je diep graaft kom je bij de magma, zegt Maira. Dat lijkt me iets dodelijks en iets prachtigs tegelijkertijd. Besluiteloos zit ik en rust. En denk aan de volgende lente.
3 november 2023
Plaats een reactie