Ze hebben mijn ruimtevaartlego weer gevonden. Het bleek op een zolder te liggen. De vingerafdrukken van mijn zesjarige zelf staan er nog op. Gele mannetjes met astronautenpakken, helmen, zuurstofflessen. Een halve raket. Computers, gemodelleerd naar de Commodore 64. Een spaceshuttle, veertig jaar geleden door mijzelf of mijn broertje in elkaar gezet. Een kraterplaat die een deel van de maan moet voorstellen. Mijn ouders zitten op de bank. Het liefst wil ik dat iedereen me zo snel mogelijk met rust laat zodat ik alles opnieuw kan opbouwen en samen met Maira kan spelen. Maar als ik hurk kraken mijn knieën en weet ik niet zeker of ik nog op kan staan.
Ik sta voor een afgrond en dadelijk weet ik of ik moet gaan springen. Aan de andere kant van de muur van het kleedhok bekijkt de radioloog mijn mammografie. Over de uitslag zal niet worden gecorrespondeerd. De afgrond is het heelal. Als het tijd is moet ik van de wereld springen, en uit mezelf. In mijn eentje een omgekeerde parachutesprong de dampkring uit wagen, daar waar de hoge duikplank al een probleem was. Ik zet me schrap, maar het grote aftellen blijkt nog niet te zijn begonnen en mijn helm kan onverrichter zake weer af.
De kraterplaat is grijs. De maan is mooier van een afstand gezien, vind ik. Maar de aarde is eigenlijk mooier van dichtbij. Chriet Titulaer, die er allang niet meer is, hoorde ik zeggen dat de zon gewoon de dichtstbijzijnde ster is en kijken naar het heelal een reis in de tijd. Aan de tafels naast de binnenspeeltuin in de Intratuin kijken de volwassenen met doodse ogen naar hun soep. Soms is er het verlangen dat iemand je eens een flinke duw geeft, die plank af, het diepe in. Omdat je geen idee hebt hoe er anders te komen. En soms koop je liever een winkelwagen vol kunstbloemen en geurkaarsen.
28 januari 2024
Geef een reactie op Lieneke Rietdijk Reactie annuleren